Berichten

Zonder nieuw feit geen navordering

Voor het opleggen van een navorderingaanslag heeft de inspecteur een nieuw feit nodig. Dat is een feit dat hem bij het opleggen van de oorspronkelijke aanslag niet bekend was of bekend had kunnen zijn. De bewijslast voor de aanwezigheid van een nieuw feit ligt bij de inspecteur. De inspecteur heeft niet de plicht om een diepgaand onderzoek in te stellen naar de in een aangifte opgenomen gegevens als hij bij een zorgvuldige kennisname van de aangifte in redelijkheid niet hoefde te twijfelen aan de juistheid ervan. Daarvan is volgens de Hoge Raad ook sprake als er een niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de aangifte op een bepaald punt juist is.

Het resultaat uit werkzaamheden wordt belast in box 1. Werkzaamheden zijn activiteiten die niet kunnen worden aangemerkt als onderneming en ook niet in loondienst worden verricht. Tot de werkzaamheden wordt gerekend het rendabel maken van een vermogensbestanddeel. Schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen behoren tot het werkzaamheidsvermogen. Een vordering op een bv waarin de geldverstrekker een aanmerkelijk belang heeft vormt een werkzaamheid; een schuld aan een dergelijke bv valt in box 3.

In de aangiften IB over de jaren 2011, 2012 en 2013 gaf een aanmerkelijkbelanghouder steeds een negatief resultaat uit werkzaamheid aan. Dat resultaat bestond uit de rente die hij verschuldigd was over een schuld aan zijn bv. De schuld had geen betrekking op een door de aanmerkelijkbelanghouder rendabel gemaakt vermogensbestanddeel. De aanslagen IB over deze jaren zijn telkens conform de ingediende aangiften opgelegd, zonder nader onderzoek door de inspecteur. Vanaf 2014 werd de schuld in de aangiften IB verantwoord in box 3. Het feit dat in de aangifte over 2014 geen schuld meer was opgenomen in box 1 was aanleiding voor een onderzoek naar de aangiften over eerdere jaren en voor het opleggen van navorderingsaanslagen.

Hof Arnhem-Leeuwarden was van oordeel dat de inspecteur na een zorgvuldige kennisname van de aangiften nader onderzoek had moeten doen. Uit de aangiften volgde dat de schuld niet rechtstreeks samen kon hangen met een vermogensbestanddeel dat rendabel werd gemaakt en dat het een rekening-courant betrof die zowel op de begin- als eindbalans van elk jaar een debetstand vertoonde. In deze situatie is een negatief resultaat uit werkzaamheden niet mogelijk. De inspecteur beschikte niet over het voor navordering vereiste nieuwe feit.

Massaal bezwaar box 3-heffing 2018

De Belastingdienst verwacht dat veel mensen bezwaar zullen maken tegen de inkomstenbelastingheffing in box 3 voor het jaar 2018. De staatssecretaris van Financiën heeft daarom, mede gelet op de lopende massaalbezwaarprocedures over de belastingjaren tot en met 2017, besloten om deze bezwaarschriften ook aan te wijzen als massaal bezwaar. De aanwijzing betreft bezwaarschriften die de rechtsvraag bevatten of de vermogensrendementsheffing op regelniveau in strijd is met het in het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) opgenomen recht op ongestoord genot van eigendom of met het discriminatieverbod van dit verdrag.

In overleg met fiscale intermediairs zal een aantal bezwaarschriften worden geselecteerd voor behandeling door de belastingrechter.

Als een bezwaarschrift naast de hiervoor genoemde rechtsvraag andere geschilpunten omvat die geen betrekking hebben op de box 3-heffing, dan doet de inspecteur het bezwaar op die punten individueel af. Als in een bezwaarschrift zowel het standpunt wordt ingenomen dat de box 3-heffing in strijd is met het EVRM op regelniveau als ook op individueel niveau, dan wordt het bezwaarschrift gesplitst in een deel dat wel en een deel dat niet meeloopt in de massaal bezwaarprocedure.

Aftrek hypotheekrente na scheiding

De rente, die wordt betaald over een eigenwoningschuld, is aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Wanneer fiscale partners gezamenlijk een eigen woning hebben, kunnen zij onderling afspreken hoe de inkomsten uit de eigen woning worden verdeeld. Verlaat een van de partners de eigen woning in verband met de beëindiging van het partnerschap, dan is het afhankelijk van de afspraken die zij maken of en bij wie de betaalde hypotheekrente nog in aftrek komt.

Twee geregistreerde partners waren ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van een woning. Tot de datum van beëindiging van het geregistreerd partnerschap hadden zij uit hoofde van deze eigendom het onverdeelde gebruiksrecht van de woning. Bij de beëindiging van het partnerschap werd overeengekomen dat een van de ex-partners de volledige hypotheekrente aan de bank zou betalen en daartegenover het volledige gebruiksrecht van de woning zou hebben tot het moment waarop de woning zou zijn verkocht. Over en weer bestond er geen alimentatieplicht.

Volgens Hof Den Haag kan de betaling van het deel van de hypotheekrente van de vertrokken partner door de achterblijvende partner niet los worden gezien van het verlenen van het recht tot bewoning door de vertrokken partner. Als de betaling van het deel van de hypotheekrente zou zijn aan te merken als een alimentatiebetaling, valt deze weg tegen de ontvangen alimentatie in de vorm van het verlenen van het recht tot bewoning van de woning.

Inspecteur mag bewijsstukken kosten verbouwing later opvragen

Tot de aftrekbare kosten van een eigen woning behoort de betaalde rente van de eigenwoningschuld. De eigenwoningschuld is het totaal van de schulden, die zijn aangegaan voor de aankoop, verbetering of onderhoud van de eigen woning, en verminderd met het bedrag van een eventuele eigenwoningreserve. Om een verhoging van de eigenwoningschuld in verband met verbetering en onderhoud mogelijk te maken moeten de kosten daarvan met schriftelijke bescheiden onderbouwd kunnen worden.

Hof Den Bosch oordeelde dat, hoewel de bewijslast voor de besteding van een verhoging van de hypothecaire geldlening op de belanghebbende rust, de inspecteur niet zes jaar na dato om bewijsstukken van het onderhoud en/of de verbetering van de eigen woning mag vragen. Volgens het hof verwerkt de inspecteur na een zekere periode het recht om bewijs ter vragen wanneer hij gedurende die periode de aangiften heeft gevolgd.

De Hoge Raad deelt de opvatting van het hof niet. Uit de tekst van de wet volgt niet dat de inspecteur bewijsstukken binnen zes jaren of binnen de navorderingstermijn moet opvragen. Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat de inspecteur in andere jaren de aangiften heeft gevolgd, zolang hij niet de indruk heeft gewekt dat het volgen van de aangiften in andere jaren op een weloverwogen standpunt berustte.

Afzien van vergoeding door vrijwilliger

Giften aan algemeen nut beogende instellingen zijn aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Dat geldt niet alleen voor giften in geld, maar ook voor giften bestaande uit het afzien door een vrijwilliger van een vergoeding voor zijn vrijwilligerswerk. Aan deze laatste categorie giften worden enkele voorwaarden gesteld. De vrijwilliger moet aanspraak kunnen maken op een vergoeding voor zijn werkzaamheden en de instelling moet bereid en in staat zijn om die vergoeding te betalen. Verder moet de vrijwilliger de vrijheid hebben om over de vergoeding te beschikken.

Een vrijwillige penningmeester van een instelling claimde aftrek van een vrijwilligersvergoeding van € 1.500. Twee bestuursleden van de instelling verklaarden dat de penningmeester aanspraak had kunnen maken op dat bedrag, dat op verzoek aan hem zou zijn uitgekeerd. De vrijwilliger had echter niet om uitbetaling gevraagd. Hof Arnhem-Leeuwarden vond niet aannemelijk dat de vrijwilliger aanspraak had kunnen maken op een vergoeding en dat hij daadwerkelijk van een vergoeding heeft afgezien. De omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding had kunnen krijgen als hij daarom gevraagd had, maakt niet dat hij heeft kunnen beschikken over een vergoeding. Omdat niet vaststond dat de vrijwilliger aanspraak op een vergoeding had, was er geen recht op aftrek.

Aftrek dieetkosten

De extra uitgaven die een belastingplichtige doet voor een op medisch voorschrift gehouden dieet zijn aan te merken als uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling. Deze uitgaven zijn niet volledig aftrekbaar maar tot vastgestelde bedragen, afhankelijk van het type dieet.

Iemand claimde aftrek van de kosten van een door een oncologisch verpleegkundige aan zijn echtgenote voorgeschreven dieet. De echtgenote had geen separate dieetvoeding voorgeschreven of verstrekt gekregen, maar moest energie- en eiwitverrijkt eten. De dieetverklaring was niet ondertekend door een arts. De behandelend arts verklaarde dat er geen indicatie was voor dieetvoeding. In navolging van de rechtbank stond ook Hof Amsterdam de aftrek niet toe, omdat niet was voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor aftrek.

Heretikettering auto van de zaak

Een ondernemer heeft de mogelijkheid om vermogensbestanddelen die zowel zakelijk als privé worden gebruikt als ondernemings- of als privévermogen te kwalificeren. De keuze voor ondernemingsvermogen moet worden gemaakt in het jaar waarin het vermogensbestanddeel voor het eerst voor de onderneming wordt gebruikt. Deze keuze kan gewijzigd worden tot het moment waarop de aanslag van het desbetreffende jaar onherroepelijk vaststaat. Daarna is herziening van de keuze alleen mogelijk op grond van bijzondere omstandigheden. Een ingrijpende functiewijziging van het vermogensbestanddeel kan een bijzondere omstandigheid zijn.

Een ondernemer claimde dat hij een in 2012 gekochte en als ondernemingsvermogen gekwalificeerde auto sinds eind december 2012 niet meer zakelijk gebruikte. Dat was een bijzondere omstandigheid die heretikettering van de auto mogelijk maakte. De ondernemer verkocht de auto in 2013. Door de heretikettering ontstond een boekverlies op de auto, dat aanvankelijk werd geaccepteerd maar later door navordering werd gecorrigeerd. De inspecteur bestreed het bestaan van een bijzondere omstandigheid die heretikettering rechtvaardigde. Volgens de inspecteur moest de ondernemer aantonen dat hij de auto niet meer zakelijk heeft gebruikt na december 2012. 

Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden volstond het als de ondernemer aannemelijk zou maken dat sprake was van een bijzondere omstandigheid. Het hof achtte hem daar niet in geslaagd. De ondernemer had geen rittenadministratie bijgehouden en niet op verifieerbare wijze inzicht kunnen geven in het feitelijk gebruik van de auto. Mede van belang vond het hof dat de ondernemer zowel in eerdere als in latere jaren een auto tot zijn ondernemingsvermogen heeft gerekend. De auto is volgens het hof tot het moment van verkoop in 2013 tot het ondernemingsvermogen blijven behoren. De inspecteur heeft terecht het in 2012 in aanmerking genomen boekverlies gecorrigeerd. Ook de bijtelling voor privégebruik van de auto moest over de periode van december 2012 tot de verkoop worden toegepast.

Rendabel maken van vermogen

Het resultaat uit overige werkzaamheden wordt belast in box 1 van de inkomstenbelasting. Het rendabel maken van vermogen op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te buiten gaat, wordt aangemerkt als een werkzaamheid. Van normaal vermogensbeheer is geen sprake als het rendabel maken van onroerende zaken geschiedt door middel van arbeid van de eigenaar met als doel het behalen van een redelijkerwijs te verwachten voordeel dat hoger is dan het rendement bij normaal vermogensbeheer.

De dga van twee vennootschappen, die zich bezighielden met het aankopen, opknappen en verkopen van onroerende zaken, kocht in privé twee woningen. De dga liet die woningen verbouwen en verkocht ze daarna. De vraag was of de aankopen en verbouwingen waren gedaan met de intentie om de woningen met winst te verkopen. De Belastingdienst meende dat dit het geval was. De dga beschikte over kennis van het aankopen, verbouwen en verkopen van onroerende zaken. De verbouwingen werden uitgevoerd door de dga zelf of onder zijn leiding.

De rechtbank was van oordeel dat de dga de woningen heeft aangekocht met het oogmerk om deze na renovatie en verbetering te verkopen. Van belang vond de rechtbank het ontbreken van aanwijzingen voor verhuur of zelfbewoning van de woningen en het korte tijdsverloop tussen aan- en verkoop. Het met de transacties behaalde voordeel was belast in box 1.

Kamervragen belastingheffing van dga

In de Tweede Kamer zijn vragen gesteld over de mogelijke toepassing in Nederland van een Scandinavisch model voor het belasten van winst en inkomen van ondernemers. Het gaat om een duaal stelsel, waarbij kapitaal- en arbeidsinkomen apart worden belast. In de Scandinavische landen wordt een forfaitaire winst toegekend aan vermogen en wordt de overwinst belast als inkomen uit arbeid. Een van de vragen is of een dergelijk stelsel eenvoudiger en rechtvaardiger werkt dan de Nederlandse gebruikelijkloonregeling. Een andere vraag is hoe een forfaitair rendement op het vermogen in een onderneming vastgesteld zou kunnen worden. 

De staatssecretaris merkt op dat het bij de samenloop van kapitaal- en arbeidsinkomen ingewikkeld is om het onderscheid daartussen te maken, omdat het onmogelijk is vast te stellen welk deel van het inkomen als rendement op het kapitaal tot stand komt en welk deel van het inkomen voortvloeit uit arbeidsprestaties. Daarom wordt in het Scandinavische model het kapitaalinkomen fictief vastgesteld en het overige inkomen tot het arbeidsinkomen gerekend. In het huidige Nederlandse belastingstelsel komt de samenloop van kapitaal- en arbeidsinkomen met name aan de orde bij de dga. De dga wordt betrokken in een vermogenswinstbelasting voor zijn aandelenbezit, maar moet ook een (al dan niet fictieve) arbeidsbeloning in aanmerking nemen door de werking van de gebruikelijkloonregeling. Het huidige Nederlandse belastingstelsel geeft dga’s een fiscale prikkel om hun gebruikelijk loon zo laag mogelijk vast te stellen. Daarnaast kunnen dga’s de belastingheffing in box 2 langdurig uitstellen. De vraag of wijzigingen in dat stelsel tot een verbetering kunnen leiden is onderwerp van onderzoek binnen het zogenaamde bouwstenentraject. 

Dat bouwstenentraject houdt in dat de staatssecretaris in 2020 met concrete bouwstenen en voorstellen voor verbeteringen en vereenvoudigingen van het belastingstelsel komt. Daarbij zal volgens de staatssecretaris ook gekeken worden naar ingrijpende hervormingen van het belastingstelsel, met mogelijk gevolgen voor de huidige boxenstructuur.

Lage arbeidsvergoeding echtgenote

De Wet IB 2001 bepaalt dat vergoedingen voor de arbeid van de partner van een ondernemer niet ten laste van diens winst uit onderneming komen als de vergoeding lager is dan € 5.000 per jaar.

Een ondernemer claimde ondanks deze wetsbepaling aftrek voor de vergoeding van € 1.500 die hij aan zijn echtgenote had betaald voor haar werkzaamheden. De ondernemer voerde aan dat het ging om een vrijwilligersvergoeding. De rechtbank is van oordeel dat de kwalificatie van de vergoeding als vrijwilligersvergoeding niet van belang is voor de winstbepaling van een ondernemer. De kwalificatie is alleen van belang voor de belastingheffing van de echtgenote. Omdat de vergoeding voor de werkzaamheden van de echtgenote lager was dan € 5.000 per jaar, is de vergoeding van aftrek uitgesloten.