Tag Archief van: Loonbelasting

Geen 30%-regeling voor al in Nederland wonende buitenlander

Onder voorwaarden kunnen vergoedingen voor de extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst tot maximaal 30% van de som van het loon en de vergoeding onbelast worden gegeven. Deze regeling geldt uitsluitend voor ingekomen werknemers. Dat zijn uit het buitenland geworven werknemers met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is. Heeft de werknemer op het moment van sluiten van de arbeidsovereenkomst met een Nederlandse werkgever zijn fiscale woonplaats in Nederland, dan is hij niet “uit een ander land aangeworven” en heeft hij geen recht op toepassing van de 30%-regeling.

De rechtbank Noord-Holland is van oordeel dat een Italiaan, die vanaf 1 juli 2012 in Nederland over woonruimte beschikt en, nadat hij tot 1 december 2012 een opleiding aan de Technische Universiteit Delft heeft gevolgd, vanaf 7 januari 2013 werkzaam was in Nederland, op het moment van het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst in Nederland woonde. Dat betekende dat hij geen recht had op toepassing van de 30%-regeling. De Italiaan stond vanaf oktober 2012 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie in Nederland en deed aangifte IB over 2013 als binnenlands belastingplichtige.

De rechtbank wees het beroep op een besluit van de staatssecretaris van Financiën af. Volgens dit besluit kan de 30%-regeling wel van toepassing zijn op iemand die in het kader van een stage of opleiding in Nederland werkzaam is. Als na de stage of de opleiding een aansluitend dienstverband ontstaat, staat de stage of opleiding een kwalificatie als ingekomen werknemer niet in de weg. Volgens de rechtbank was in dit geval geen sprake van een stage.

Gebruikelijkheidscriterium werkkostenregeling

De werkkostenregeling kent als uitgangspunt dat alle vergoedingen en verstrekkingen tot het loon behoren. De verstrekking van een voordeel dat kan worden toegerekend aan de dienstbetrekking, behoort in beginsel tot het loon, ook als het niet als beloningsvoordeel wordt ervaren. De werkkostenregeling kent een vrije ruimte van 1,2% van de fiscale loonsom. De werkgever kan vergoedingen en verstrekkingen aanwijzen als eindheffingsbestanddeel, voor zover aan het gebruikelijkheidscriterium is voldaan. De wet geeft geen definitie van het gebruikelijkheidscriterium. Bij het aanwijzen als eindheffingsbestanddeel is de loonheffing voor rekening van de werkgever, voor zover de vrije ruimte wordt overschreden.

De inspecteur moet, als hij van mening is dat vergoedingen of verstrekkingen niet als eindheffingsbestanddeel zijn aan te merken, feiten en omstandigheden stellen die dat standpunt kunnen dragen. Als de werkgever het standpunt van de inspecteur betwist, moet de inspecteur de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden aannemelijk maken. Volgens de Hoge Raad heeft de inspecteur niet aan deze stelplicht voldaan door alleen te verwijzen naar de door de Belastingdienst gehanteerde doelmatigheidstoets van € 2.400 per werknemer per jaar.

De totstandkomingsgeschiedenis van de werkkostenregeling biedt weinig aanknopingspunten voor de wijze waarop de inspecteur aan zijn stelplicht kan voldoen. Voor de hand ligt om vergelijkingen te maken met de toepassing van de werkkostenregeling voor andere werknemers van dezelfde werkgever, voor collega’s in dezelfde functiecategorie als de werknemer en voor werknemers bij andere werkgevers.

Hof Amsterdam was van oordeel dat de verstrekking van een groot pakket aandelen aan een selecte groep werknemers niet aan het gebruikelijkheidscriterium voldeed. De toekenning van aandelen had geen betrekking op de vergoeding van werkkosten die door een werknemer daadwerkelijk waren gemaakt, aldus het hof. Anders dan het hof meende, is de reikwijdte van de werkkostenregeling niet beperkt tot vergoedingen en verstrekkingen die een zuiver zakelijk of een gemengd karakter hebben. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof vernietigd en de zaak verwezen naar Hof Den Haag.

Staatssecretaris verruimt youngtimerregeling niet

Leden van de Tweede Kamer hebben de staatssecretaris van Financiën gevraagd om de zogenaamde youngtimerregeling toe te passen op elektrische auto's van vijf jaar en ouder. De youngtimerregeling geldt voor auto’s van de zaak die ouder zijn dan 15 jaar. Voor deze auto’s bedraagt de bijtelling voor privégebruik 35% van de waarde in het economische verkeer. Deze afwijkende bijtellingsregeling is niet bedoeld om een fiscaal voordeel te bieden aan oudere auto’s van de zaak. Enerzijds houdt de regeling rekening met het lagere voordeel van de terbeschikkingstelling van een oudere en afgeschreven auto. Anderzijds houdt de regeling rekening met de mogelijkheid dat de waarde van de auto hoger is dan de oorspronkelijke cataloguswaarde, zoals dat bij in goede staat verkerende klassiekers voorkomt.

Het verlagen van de leeftijdsgrens van de youngtimerregeling voor elektrische auto’s naar vijf jaar zou de export van deze auto’s moeten beperken. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft de export van elektrische personenauto’s geanalyseerd. Van de in 2013 in Nederland nieuw aangeschafte elektrische personenauto’s is 23% inmiddels geëxporteerd. De export betreft met name elektrische auto’s uit het duurdere segment. Goedkopere gebruikte elektrische auto’s worden geïmporteerd. Per saldo zijn in de afgelopen jaren ongeveer evenveel elektrische auto’s geïmporteerd als geëxporteerd.

De staatssecretaris ziet niets in de voorgestelde maatregel, omdat deze geen effect heeft op de particuliere markt, terwijl gebruikte elektrische auto’s juist hun weg naar de particulier moeten vinden. Om de ontwikkeling van een tweedehandsmarkt voor elektrische auto’s voor particulieren te stimuleren denkt het kabinet aan het vergoeden van laadtegoed, een aanschafsubsidie of een batterijgarantie.

Fictieve dienstbetrekking

Werknemer voor de loonbelasting is de natuurlijke persoon, die tot een inhoudingsplichtige in privaatrechtelijke dienstbetrekking staat. Er is sprake van een dienstbetrekking als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  1. er bestaat een gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer;
  2. de werknemer is verplicht tot het persoonlijk verrichten van arbeid gedurende zekere tijd; en
  3. de werkgever is verplicht om loon te betalen aan de werknemer.

In een procedure over een naheffingsaanslag loonheffingen bestreed een bv het bestaan van een dienstbetrekking met een ingehuurde persoon. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een gezagsverhouding. De ingehuurde persoon had de vrijheid om de dagelijkse leiding en het dienstverleningsproces van de bv naar eigen inzicht in te richten en uit te voeren. De dga van de bv hield zich niet bezig met de dagelijkse leiding van de onderneming en had daarvan ook geen verstand. De ingehuurde persoon had bijzondere kennis op het gebied van de ondernemingsactiviteiten. Daarom ontbrak de voor een dienstbetrekking vereiste gezagsverhouding.

Wel was sprake van een fictieve dienstbetrekking. De vereisten daarvoor zijn dat een natuurlijke persoon op doorgaans ten minste twee dagen per week gedurende een periode langer dan een maand persoonlijk arbeid verricht. Het bruto-inkomen per week moet daarbij ten minste 2/5 maal het minimumloon bedragen. Aan die vereisten was voldaan. De rechtbank merkte op dat het niet nodig is dat de fictieve werknemer zich heeft verbonden tot het persoonlijk verrichten van arbeid. De feitelijke situatie is bepalend.

Volgens de wet is er geen sprake van een fictieve dienstbetrekking als de arbeid is verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep. Deze uitzondering deed zich hier niet voor. Naar het oordeel van de rechtbank was er onvoldoende bewijs voor ondernemerschap van de ingehuurde persoon. Deze had slechts één opdrachtgever en liep geen debiteurenrisico.

Ritten naar golfclub deels privé

De dga van een bv had de beschikking over een auto van de bv. In het jaar 2011 had de dga een “verklaring geen privégebruik auto”. Volgens de bijgehouden rittenadministratie heeft de dga in dat jaar 326 privékilometers met de auto gereden. De rittenadministratie omvatte in 2011 79 ritten naar en van golfclubs. Volgens de rittenadministratie waren dit zakelijke ritten, omdat de dga tijdens deze bezoeken aan de golfclubs alleen zakelijke relaties heeft ontmoet op afspraak. De Belastingdienst merkte deze ritten aan als privé. Het aantal privékilometers in 2011 kwam daardoor uit op meer dan 500. De Belastingdienst legde daarom een naheffingsaanslag loonheffingen op aan de dga.


Volgens Hof Den Bosch hadden de ritten een gemengd, deels zakelijk en deels privékarakter. Volgens een door de dga ingebrachte rapportage over 2010 speelde een golfer gemiddeld zeventien rondjes per jaar. Het hof merkte dat aantal bezoeken aan niet als zakelijk. Omdat in deze procedure niet duidelijk was of de dga naast de in zijn kilometeradministratie opgenomen ritten ook nog met zijn privéauto naar de golfclub was gereden, merkte het hof de kilometers die samenhingen met 17 bezoeken aan de golfclubs aan als privékilometers. De minimale afstand voor een enkele reis naar een golfclub volgens de rittenadministratie bedroeg acht kilometer. Op basis daarvan bedroeg het aantal als privé aangemerkte kilometers minimaal 8 x 2 x 17 = 272. Dit aantal opgeteld bij het aantal in de rittenadministratie verwerkte privékilometers van 326 leidde tot een totaal aantal van 598 kilometers privé. Volgens het hof heeft de inspecteur terecht een naheffingsaanslag voor de bijtelling opgelegd.


De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het hof zonder nadere motivering ongegrond verklaard.

Reisdagen naar werk in buitenland tellen mee voor aftrek elders belast

Een inwoner van Nederland, die werkzaam is in het buitenland, heeft mogelijk recht op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting wanneer zijn inkomen ook in het buitenland belast is. Wanneer Nederland met het betreffende land een verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing heeft gesloten, bepaalt het verdrag aan welk land de heffingsbevoegdheid over de in het buitenland verdiende beloning is toegewezen. Wanneer dat het werkland is, moet het woonland aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verlenen voor deze beloning. Volgens een arrest van de Hoge Raad moet, wanneer het bedrag van de aan het buitenland toe te rekenen beloning niet kan worden vastgesteld aan de hand van salarisspecificaties, dit naar tijdsevenredigheid afgeleid worden uit het jaarloon. Dat gebeurt door middel van de dagenbreuk. De teller van deze breuk bestaat uit het aantal dagen waarop in de werkstaat is gewerkt. De noemer bestaat uit het aantal kalenderdagen, verminderd met weekeinddagen, vakantiedagen, feestdagen en andere dagen waarop niet gewerkt hoefde te worden.

De wijze van berekening van de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting was inzet van een procedure bij de rechtbank. De procedure betrof een in Nederland wonende werknemer, die een deel van zijn werkzaamheden verrichtte in Frans-Guyana. Meer specifiek ging het om de vraag of de reisdagen van en naar Frans-Guyana geheel of gedeeltelijk als in het buitenland gewerkte dagen meetelden. De werknemer was van mening dat de reisdagen op grond van het belastingverdrag tussen Nederland en Frankrijk geheel aan het werkland moesten worden toegerekend. De Belastingdienst meende dat alleen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend hoefde te worden voor zover de dienstbetrekking feitelijk op het grondgebied van Frans-Guyana is uitgeoefend. Dat gold niet voor de reisdagen.

De rechtbank rekende de reisdagen geheel toe aan de gewerkte dagen, omdat de werknemer op die dagen vanuit Frans-Guyana is vertrokken of daar is aangekomen. Doorslaggevend daarvoor was dat de werkgever de reisdagen doorbetaalde en dat de reisdagen aansloten op het verrichten van werkzaamheden in Frans-Guyana.

Vrije ruimte werkkostenregeling naar 1,7%

Werkgevers mogen tot 1,2% van de loonsom van alle medewerkers samen onbelast vergoedingen geven aan hun personeel. Dit is de vrije ruimte. Naast de vrije ruimte zijn er mogelijkheden voor andere onbelaste vergoedingen.

De vrije ruimte wordt met ingang van 2020 vergroot van 1,2% naar 1,7% van de loonsom. De verruiming gaat gelden voor de eerste € 400.000 van de loonsom van een werkgever. Bij deze loonsom gaat de vrije ruimte van € 4.800 naar € 6.800. Voor zover de loonsom hoger is dan € 400.000 blijft de vrije ruimte 1,2%.

De verruiming van de werkkostenregeling komt met name ten goede van kleine werkgevers.

Hogere bijtelling auto van voor 2017 geen discriminatie

Per 1 januari 2017 is de standaardbijtelling voor privégebruik van een auto van de zaak verlaagd van 25 naar 22% van de cataloguswaarde van de auto. Deze verlaging geldt alleen voor auto’s die op of na deze datum op kenteken zijn gezet. Voor auto’s die voor 1 januari 2017 op kenteken zijn gezet geldt op grond van het overgangsrecht de oude standaardbijtelling van 25%. Het verschil in bijtelling geldt ook als de fabrikant aan de auto niets heeft gewijzigd en een in 2017 of later op kenteken gezette auto gelijk is aan een voor 2017 op kenteken gezette auto van hetzelfde type. Door het overgangsrecht worden gelijke gevallen ongelijk behandeld.


Volgens de Hoge Raad houdt iedere wetswijziging in, dat onderscheid wordt gemaakt tussen gevallen die zich hebben voorgedaan vóór en gevallen die zich hebben voorgedaan nà het tijdstip van wijziging. Dat onderscheid is in beginsel geen discriminatie, omdat anders de wetgever de mogelijkheid niet heeft om wetten in te voeren of te wijzigen. Ook als de wetgever een wetswijziging voorziet van overgangsrecht is de wijziging in beginsel geen discriminatie. Niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen is verboden. Dat geldt alleen voor die gevallen waarin een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. De Hoge Raad vindt in de totstandkomingsgeschiedenis voldoende rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling.

Verlenging termijn indienen formulier afkoop pensioen eigen beheer

De Wet uitfasering pensioen in eigen beheer maakt het tot en met 31 december 2019 mogelijk om een pensioenvoorziening in eigen beheer af te kopen of om te zetten in een oudedagsvoorziening. Voor de afkoop of de omzetting kan het verschil tussen de waarde
in het economische verkeer en de fiscale balanswaarde van de pensioenvoorziening fiscaal geruisloos worden prijsgegeven. Bij afkoop of omzetting is geen revisierente verschuldigd. Bij afkoop van de pensioenvoorziening wordt een korting verleend op het bedrag
dat tot het loon uit vroegere dienstbetrekking behoort. Om gebruik te kunnen maken van deze fiscale facilitering moet de dga een informatieformulier invullen, ondertekenen en binnen één maand na het afkopen of omzetten bij de Belastingdienst ingediend hebben.
De (gewezen) partner van de dga moet het informatieformulier medeondertekenen.

Het te laat of niet medeondertekend inleveren van het formulier heeft tot gevolg dat de waarde in het economische verkeer van de pensioenaanspraken op het moment van prijsgeven als loon uit vroegere dienstbetrekking wordt aangemerkt en dat revisierente is
verschuldigd. De staatssecretaris van Financiën vindt dat een te zware straf op het niet geheel voldoen aan de voorwaarden met betrekking tot het informatieformulier. Daarom keurt hij onder voorwaarden goed dat een informatieformulier dat binnen een jaar na
de afkoop of de omzetting is aangeleverd als tijdig wordt aangemerkt. Het gaat om een eenmalige verlenging van de termijn.

De inspecteur moet de dga een termijn van ten minste zes weken geven om een ontbrekende medeondertekening alsnog op te nemen op het formulier. Deze herstelmogelijkheid geldt ook voor informatieformulieren die binnen de verlengde termijn zijn of worden aangeleverd.

Tabelcorrectiefactor en arbeidskorting 2019

De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer de hoogte van de tabelcorrectiefactor en de arbeidskorting voor 2019 meegedeeld.

Tabelcorrectiefactor
De tabelcorrectiefactor, dat is de indexatiefactor voor diverse bedragen in de belastingwet- en regelgeving, bedraagt voor 2019 1,012.

Abeidskorting
De arbeidskorting wordt jaarlijks aangepast aan de hand van de tabelcorrectiefactor en aan de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon per 1 januari van het lopende jaar ten opzichte van 1 januari van het volgende jaar. Dat heeft tot gevolg dat de arbeidskorting
er in 2019 als volgt uitziet. Tot een inkomen van € 9.694 per jaar bedraagt de arbeidskorting 1,754% van het arbeidsinkomen, met een maximum van € 170. Bij een arbeidsinkomen vanaf € 9.694 per jaar bedraagt de arbeidskorting € 170 plus 28,712% van het arbeidsinkomen
boven € 9.694. De arbeidskorting kent een maximum van € 3.399. Dit maximum wordt bereikt bij een arbeidsinkomen van € 20.940. Boven een inkomen van € 34.060 per jaar wordt de berekende arbeidskorting verminderd met 6,0% van het meerdere inkomen. De arbeidskorting
bedraagt nihil bij een arbeidsinkomen vanaf € 90.710.