Berichten

Aftrek voorbelasting verhuurde verdieping woning

De Belastingdienst corrigeerde de eerder verleende teruggaven omzetbelasting door het opleggen van een naheffingsaanslag. De correctie had betrekking op de aftrek van voorbelasting in verband met de belaste verhuur van een deel van de woning. De Belastingdienst nam het standpunt in dat de verhuurders de woning na oplevering geheel voor privédoeleinden in gebruik hebben genomen. De verhuur van een deel van de woning is op een later moment ingegaan. Omdat de woning pas later is aangewend voor een economische activiteit kon op dat latere moment niet alsnog aanspraak worden gemaakt op aftrek van voorbelasting. Volgens de verhuurders is de intentie altijd geweest om een deel van de woning te verhuren. Tussen de oplevering van de woning en de ingangsdatum van de verhuur is de betreffende verdieping gereed gemaakt voor gebruik als kantoor ten behoeve van de huurder.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU is voor het recht op aftrek van voorbelasting bepalend of de ondernemer een investeringsgoed heeft verworven met het voornemen om een economische activiteit uit te oefenen. Dat voornemen moet door objectieve factoren bevestigd worden. Voor het recht op aftrek van voorbelasting is niet van belang of het investeringsgoed onmiddellijk is gebruikt voor belaste handelingen. Het daadwerkelijke gebruik is bepalend voor de omvang van de aftrek of voor de eventuele herziening daarvan, maar is niet van invloed op het ontstaan van het recht op aftrek.

Hof Arnhem-Leeuwarden kwam op basis van de overgelegde bescheiden tot de conclusie dat de verhuurders van meet af aan de intentie hebben gehad om de verdieping belast te verhuren en dat aan deze intentie direct en volledig uitvoering is gegeven. De inspecteur heeft de voorbelasting ten onrechte nageheven. Er is geen sprake van een wijziging van gebruik of bestemming ten tijde van de oplevering van de woning.

Aanmelding nieuwe KOR

De omzetbelasting kent een bijzondere regeling voor kleine ondernemers, de KOR. De huidige regeling geldt alleen voor natuurlijke personen, die na aftrek van voorbelasting niet meer dan € 1.883 aan btw verschuldigd zijn. Zij hebben recht op een vermindering van de te betalen btw ter grootte van de verschuldigde btw tot een maximum van € 1.345. De ondernemer, die op basis van deze regeling geen btw verschuldigd is, kan de inspecteur verzoeken om ontheffing van administratieve en factureringsverplichtingen. De ondernemer vermeldt dan geen btw op zijn facturen en heeft geen recht op aftrek van voorbelasting.

Met ingang van 1 januari 2020 geldt een nieuwe KOR in de vorm van een omzetgerelateerde vrijstellingsregeling. De nieuwe KOR kent een omzetgrens van € 20.000 en geldt voor alle kleine ondernemers, ongeacht de rechtsvorm. Het gaat om de omzet van in Nederland belastbare leveringen en diensten, ongeacht het tarief en ongeacht verlegging van de heffing naar de afnemer.

Ondernemers die voor toepassing van de nieuwe KOR kiezen, hoeven geen btw-aangifte te doen en zijn vrijgesteld van administratieve verplichtingen met betrekking tot verrichte leveringen en diensten in Nederland. Wel gelden administratieve verplichtingen en kan de KOR-ondernemer btw-aangifte moeten doen als de heffing van btw naar hem is verlegd. Net als de huidige KOR geldt de nieuwe KOR alleen voor in Nederland gevestigde ondernemers of vaste inrichtingen. De nieuwe KOR geldt niet voor de levering van onroerende zaken die door de ondernemer in zijn bedrijf zijn gebruikt. Wanneer een ondernemer, die gebruik maakt van de nieuwe KOR in een kalenderjaar boven de omzetgrens uitkomt, voldoet hij niet meer aan de voorwaarden en is vanaf dat moment de vrijstelling niet meer van toepassing. Dat betekent dat de normale btw-regels gelden en dat de ondernemer verplicht is om btw-aangifte te doen.

De keuze om de nieuwe KOR toe te passen geldt in beginsel voor onbepaalde tijd. De ondernemer kan de vrijstelling opzeggen nadat hij deze ten minste drie jaar heeft toegepast. Na opzegging duurt het drie jaar voordat de ondernemer in aanmerking komt voor hernieuwde toepassing van de vrijstelling. Een ondernemer, die verwacht in 2020 de omzetgrens van € 20.000 niet te overschrijden en die de vrijstellingsregeling wil toepassen, moet zijn keuze meedelen aan de inspecteur door het indienen van een daartoe bestemd formulier. Dat kan vanaf 1 juni 2019. Voor toepassing van de vrijstelling vanaf 1 januari 2020 moet de ondernemer zijn keuze uiterlijk op 20 november 2019 hebben gemeld. Het formulier is te vinden is op de website van de Belastingdienst.

Ondernemers, die onder huidige regeling ontheffing van administratieve verplichtingen hebben, hoeven zich niet aan te melden voor de nieuwe KOR. Zij worden daar automatisch in opgenomen.

Herziening btw en KOR
Ondernemers die recent hebben geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen en vanaf 1 januari 2020 gebruik willen maken van de nieuwe KOR, moeten rekening houden met herziening van de in het verleden gedane aftrek van voorbelasting. Vanaf 1 januari 2020 worden de bedrijfsmiddelen uitsluitend gebruikt voor vrijgestelde prestaties. De herzieningstermijn voor onroerende zaken bedraagt negen jaar na het jaar van ingebruikname. Voor roerende zaken bedraagt de herzieningstermijn vier jaar na het jaar van ingebruikname. De herziening blijft achterwege als het bedrag van de herziene btw lager is dan € 500.

Wie alleen btw-ondernemer is vanwege de exploitatie van zonnepanelen, moet zich afvragen of het gunstig is om gebruik te maken van de nieuwe KOR wanneer de zonnepanelen zijn aangeschaft in 2016 of later. De herzieningsperiode voor deze panelen is nog niet verstreken.

Verkoop ondernemingsvermogen na stilleggen activiteiten

Verkoop van een investeringsgoed, dat voor de omzetbelasting als ondernemingsvermogen is aangemerkt, moet voor de omzetbelasting worden behandeld als een verkoop door een ondernemer. Dit is anders als het bedrijf is beëindigd en het investeringsgoed is overgebracht naar het privévermogen. De overbrenging naar het privévermogen is voor de omzetbelasting een belaste levering indien bij de aanschaf van het investeringsgoed recht op aftrek van voorbelasting is ontstaan. Het ondernemerschap voor de omzetbelasting eindigt als de laatste liquidatiehandeling is verricht.

Een snijbloemenkweker beëindigde in 2004 zijn activiteiten. Voor de inkomstenbelasting werd de onderneming niet gestaakt. De teelt van de snijbloemen vond plaats in kassen, die met de ondergrond tot het ondernemersvermogen behoorden. Vanaf 2005 verrichtte de snijbloemenkweker andere ondernemersactiviteiten. Na een bestemmingswijziging werden de kassen gesloopt en werd het perceel als bouwterrein verkocht. De vraag was of de levering van de grond in 2018 belast was met omzetbelasting. De snijbloemenkweker meende dat door de feitelijke beëindiging van de snijbloemenonderneming de grond naar zijn privévermogen was overgegaan. De latere levering van de grond had hij niet in de hoedanigheid van btw-ondernemer verricht. De rechtbank accepteerde dat betoog niet. De overbrenging van de grond naar het privévermogen bleek nergens uit en was ook nooit als een belaste levering aangegeven. Ook na de beëindiging van de snijbloemenkwekerij bleef de grond met de kassen als ondernemingsvermogen op de balans staan. Voor de omzetbelasting was nog steeds sprake van ondernemingsvermogen.

Voor het btw-ondernemerschap is niet relevant dat de aard van de onderneming is gewijzigd. De levering van de bouwgrond in 2018 was onderdeel van de liquidatie van de btw-onderneming. Er is terecht omzetbelasting over de levering berekend.

Sloopintentie koper leidt niet tot ontstaan bouwterrein

De levering van een bestaande onroerende zaak is vrijgesteld van omzetbelasting. De vrijstelling geldt niet voor de levering van een nieuw gebouwde onroerende zaak en voor de levering van een bouwterrein. De ratio van het onderscheid tussen oude gebouwen enerzijds en nieuwe gebouwen en bouwterreinen anderzijds is gelegen in het ontbreken van toegevoegde waarde bij de levering van een bestaand gebouw. Nieuwbouw en het bouwrijp maken van grond voegt wel waarde toe.

Over de vraag of een terrein met een bestaand gebouw dat geheel of gedeeltelijk zal worden gesloopt kwalificeert als bouwterrein heeft het Hof van Justitie EU meerdere arresten gewezen.

In het arrest Don Bosco Onroerend Goed was sprake van de levering van een bouwterrein. Bepalend daarvoor was dat verkoper en koper een terrein wilden leveren dat gereed was om te worden bebouwd. De verkoper had zich verplicht om het gebouw dat op het terrein stond te slopen. Ten tijde van de levering was de verkoper begonnen met de sloop van het gebouw.

Factoren die een rol spelen bij de beoordeling of sprake is van een bouwterrein zijn de voortgang op de datum van levering van de sloop- of verbouwingswerkzaamheden die de verkoper uitvoert, het gebruik van het gebouw en de verplichting voor de verkoper om sloopwerkzaamheden uit te voeren met het oog op toekomstige bebouwing.

In een recent arrest was volgens het Hof van Justitie EU geen sprake van een bouwterrein. De procedure betrof twee opvolgende leveringen van een terrein met een pakhuis, dat op de datum van de eerste levering volledig in bedrijf was. Geen van de partijen bij deze levering was belast met de sloop van dat pakhuis. Het pakhuis werd pas na de tweede levering gesloopt door de (tweede) koper. Het pakhuis was bij de tweede levering nog steeds in gebruik. De tweede verkoper was niet betrokken bij de sloop van het pakhuis. De sloop van het pakhuis was naar het oordeel van het Hof van Justitie EU een handeling die los stond van de verkoop en die niet samen met de verkoop economisch gezien één enkele prestatie vormde.

Kamervragen nieuwe KOR

Per 1 januari 2020 verandert de kleineondernemersregeling (KOR) in de omzetbelasting. De nieuwe KOR kent een omzetgrens van € 20.000. Ondernemers die onder deze omzetgrens blijven in een kalenderjaar zijn vrijgesteld van omzetbelasting en de bijbehorende administratieve verplichtingen. De oude KOR kent een afdrachtsdrempel van € 1.883. Tot dat bedrag geldt een vermindering van de afdracht. Niet alle ondernemers, die onder de oude KOR vallen, voldoen aan de voorwaarden van de nieuwe KOR. Het is mogelijk dat een ondernemer na aftrek van voorbelasting onder de afdrachtsdrempel van de oude KOR blijft, terwijl zijn omzet boven de omzetdrempel van de nieuwe KOR uitkomt.

Ondernemers, die onder de oude KOR zijn ontheven van administratieve verplichtingen, worden automatisch overgezet naar de nieuwe KOR. Verwacht een dergelijke ondernemer in 2020 de omzetgrens te overschrijden, dan moet hij zelf een verzoek doen om uitreiking van aangiften.

Op 29 juli 2019 heeft het Hof van Justitie EU een arrest gewezen over de toepassing van de KOR door een ondernemer die de margeregeling toepast. Volgens dit arrest moet een dergelijke ondernemer zijn omzet berekenen op transactiebasis en niet op basis van de winstmarges. Deze uitleg van de Btw-richtlijn 2006 geldt voor alle lidstaten, en dus ook voor de nieuwe Nederlandse KOR. Volgens de staatssecretaris van Financiën hoeft de wettelijke regeling niet te worden aangepast naar aanleiding van dit arrest. Ook is het arrest van het Hof van Justitie EU geen reden om de omzetgrens van € 20.000 te verhogen.

Recht op herziening aftrek voorbelasting voor bouw gymnastieklokalen

In een procedure bij de Hoge Raad speelde de vraag of de omzetbelasting, die drukte op de aankoop van een investeringsgoed dat de ondernemer zowel voor economische als voor niet-economische activiteiten gebruikt, kan worden herzien als de onderlinge verhouding tussen economisch en niet-economisch gebruik wijzigt. De Hoge Raad is van oordeel dat herziening in die situatie mogelijk is.

De procedure heeft betrekking op gymnastieklokalen die een gemeente heeft laten bouwen. Voor zover de gemeente de lokalen zonder vergoeding ter beschikking stelde, vormde dat geen economische activiteit. Dat betekent dat aan de vraag of de gemeente als overheid handelde niet wordt toegekomen.

De Hoge Raad stelde voorop dat aan herziening van aftrek uitsluitend wordt toegekomen wanneer de betrokkene een goed in zijn hoedanigheid van ondernemer heeft verworven. Is dat niet het geval, dan ontstaat geen recht op aftrek en dus ook geen recht op eventuele herzieningen van de aftrek. De omvang van de in aftrek te brengen omzetbelasting en van latere herziening is afhankelijk van het voorgenomen of daadwerkelijke gebruik van het goed. Dat gebruik is niet van invloed op het ontstaan van het recht op aftrek.

Bij de beoordeling of iemand handelt als ondernemer wordt gelet op alle omstandigheden, waaronder de aard van het betrokken goed en het tijdsverloop tussen de verwerving van het goed en het gebruik daarvan voor economische activiteiten.

De gemeente heeft de gymnastieklokalen van meet af aan voor een deel van de gebruikstijd gebruikt voor belaste economische activiteiten. Volgens de Hoge Raad betekent dit dat de gemeente de gymnastieklokalen heeft verworven in haar hoedanigheid van ondernemer. Dat betekent dat recht op aftrek is ontstaan voor aan de bouw van de gymnastieklokalen toerekenbare omzetbelasting.

Wetsvoorstel implementatie richtlijn elektronische handel ter consultatie

Het ministerie van Financiën heeft een wetsvoorstel ter consultatie gepubliceerd. Het conceptwetsvoorstel betreft de heffing en inning van omzetbelasting bij grensoverschrijdende internetverkopen. Belanghebbenden kunnen tot 30 oktober reageren op het wetsvoorstel.

Met ingang van 1 januari 2019 is het eerste deel van de EU-richtlijn elektronische handel geïmplementeerd in de nationale wetgeving. De volgende delen van de richtlijn, inclusief de aanvulling daarop, moeten zijn geïmplementeerd op 1 januari 2021. Dat betekent een omvangrijke uitbreiding van de btw-heffing via het mini-éénloketsysteem (MOSS), dat nu nog alleen van toepassing is op digitale diensten voor consumenten door ondernemers in een andere lidstaat dan de afnemer. Straks geldt dit voor alle diensten die een ondernemer verricht voor consumenten buiten zijn vestigingsstaat.

Ondernemers, die binnen de EU afstandsverkopen van goederen verrichten aan consumenten in andere lidstaten, zullen de btw over die verkopen in veel gevallen verschuldigd worden in de lidstaat van de consument. Met ingang van 1 januari 2021 worden deze goederenleveringen belast in de lidstaat waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van aankomst van de verzending of het vervoer naar de afnemer, hierna ook wel aangeduid als de lidstaat van de consument. Dat betekent dat ze vaker dan nu met de btw-regels en tarieven van andere lidstaten te maken krijgen. Deze ondernemers kunnen ervoor kiezen om met toepassing van het éénloketsysteem de btw voor andere lidstaten in de eigen lidstaat af te dragen en te betalen.

Voor kleinere ondernemers die grensoverschrijdende afstandsverkopen verrichten komt een uitzondering op de regeling dat intracommunautaire afstandsverkopen belast zijn in de lidstaat van de consument. De uitzondering gaat gelden voor ondernemers die in één lidstaat gevestigd zijn en van wie de totale grensoverschrijdende omzet in een jaar onder een bedrag van € 10.000 blijft. Deze ondernemers zijn de btw in de eigen lidstaat verschuldigd naar het daar geldende tarief.

De btw-vrijstelling bij de invoer van goederenzendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan € 22 die worden geleverd door ondernemers van buiten de EU vervalt.

Buiten de EU gevestigde ondernemers die grensoverschrijdend digitale diensten verkopen aan consumenten binnen de EU zijn de btw over die diensten verschuldigd in de lidstaat waar de consument woont. Voor de aangifte en afdracht van de btw kan de ondernemer gebruik maken van het éénloketsysteem. De toepassing van deze regeling wordt uitgebreid tot alle diensten die niet in de EU gevestigde ondernemers verrichten aan consumenten in de lidstaten en waarvoor de btw verschuldigd is in deze lidstaten.

Leveranciers van goederenzendingen van buiten de EU krijgen de mogelijkheid om de btw over die verkopen aan te geven en af te dragen via een nieuwe toepassing van het éénloketsysteem: de invoerregeling. Wanneer een ondernemer de btw aangeeft en betaalt via de invoerregeling, wordt hij voor de betreffende goederen bij de feitelijke invoer niet meer in de heffing betrokken. De invoerregeling is beperkt tot goederen met een waarde van € 150. De invoerregeling is niet van toepassing op accijnsgoederen zoals wijn en tabaksproducten.

Een groot deel van de afstandsverkopen van goederen wordt aan de consument verkocht via handelsplatforms. Deze platforms worden belastingplichtig voor de btw die ondernemers van buiten de EU verschuldigd worden over verkopen via de platforms.

Voor post- en koeriersdiensten komt er een regeling van uitstel van betaling, waarbij geen zekerheid hoeft te worden gesteld voor de bij invoer verschuldigde btw van pakketjes van buiten de EU als de leverancier geen gebruik maakt van de nieuwe invoerregeling.

Nieuw btw-nummer voor eenmanszaken

Met ingang van 1 januari 2020 geldt voor ondernemers met een eenmanszaak een nieuw btw-identificatienummer. In dit nummer is het burgerservicenummer (BSN) van de ondernemer niet verwerkt, ter bescherming van diens privacy. Het btw-identificatienummer bestaat uit een reeks van 14 tekens en is als volgt opgebouwd: landcode NL, 9 cijfers, de letter B en een controlegetal van 2 cijfers. Een voorbeeld van het nieuwe btw-identificatienummer is NL123456789B56.

Ondernemers dienen het btw-identificatienummer op facturen, briefpapier en hun website te vermelden om zich te identificeren als btw-plichtig ondernemer. Het bestaande btw-nummer wordt omgedoopt tot omzetbelastingnummer en blijft in gebruik voor communicatie met de Belastingdienst en voor de btw-aangifte. Het omzetbelastingnummer bestaat uit het BSN met de toevoeging B01 (of een ander getal). De Belastingdienst stuurt ondernemers met een eenmanszaak voor de jaarwisseling een brief waarin het btw-identificatienummer staat.

Commissaris geen btw-ondernemer

Tot 1 januari 2013 werd een lid van een Raad van Commissarissen voor heffing van omzetbelasting niet aangemerkt als belastingplichtige. Het besluit waarin dat was geregeld is per die datum ingetrokken. Sinds 1 januari 2013 geldt dat een lid van een Raad van Commissarissen, die voor zijn werkzaamheden een vergoeding ontvangt, als btw-ondernemer wordt aangemerkt.

Hof Den Bosch heeft aan het Hof van Justitie EU de vraag voorgelegd of een commissaris als ondernemer voor de omzetbelasting moet worden aangemerkt. De vraag spitst zich toe op het zelfstandig uitoefenen van de activiteit. Het hof ziet enerzijds elementen die wijzen op een vorm van ondergeschiktheid en anderzijds elementen die wijzen op zelfstandigheid. De commissaris was niet werkzaam in dienstbetrekking maar op basis van een overeenkomst van opdracht.

Het Hof van Justitie EU merkt op dat er geen hiërarchische ondergeschiktheid van een lid van de raad van commissarissen is ten opzichte van het bestuursorgaan of van de Raad van Commissarissen. Bepalend vindt het Hof van Justitie EU dat een lid van de raad van commissarissen niet in eigen naam, voor eigen rekening of onder eigen verantwoordelijkheid werkt. Daar komt bij dat een commissaris in de voorgelegde casus geen enkel economisch bedrijfsrisico draagt. De vaste vergoeding van een commissaris was niet afhankelijk van deelname aan vergaderingen of van de feitelijk gewerkte uren. De commissaris oefende daarom niet zelfstandig een economische activiteit uit en is dus geen ondernemer.

Herziening omzetbelasting opfokkosten

Ondernemers hebben recht op aftrek van omzetbelasting die door andere ondernemers in rekening is gebracht voor leveringen en diensten die worden gebruikt voor belaste prestaties. Het recht op aftrek ontstaat in het tijdvak waarin de belasting in rekening is gebracht of verschuldigd is geworden. Voor goederen en diensten die niet onmiddellijk in gebruik worden genomen, vindt de aftrek van omzetbelasting plaats overeenkomstig de bestemming van die goederen en diensten. Indien op het tijdstip van ingebruikneming blijkt dat niet het juiste bedrag aan omzetbelasting in aftrek is gebracht, wordt te veel afgetrokken belasting op dat tijdstip alsnog verschuldigd en wordt te weinig afgetrokken belasting op verzoek teruggegeven.

In een arrest van 4 december 2009 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat goederen of diensten, die een ondernemer afneemt om een bedrijfsmiddel in goede staat te houden, onmiddellijk worden gebruikt. Dat geldt ook in een periode waarin het bedrijfsmiddel tijdelijk geen opbrengsten levert. Herziening van de aftrek van voorbelasting is dan niet aan de orde. Dit is anders voor goederen of diensten die een ondernemer betrekt om een bedrijfsmiddel gereed te maken voor het beoogde gebruik of om een bedrijfsmiddel binnen zijn onderneming te ontwikkelen of tot stand te brengen. De omzetbelasting die drukt op dergelijke goederen en diensten is aftrekbaar overeenkomstig hun bestemming op het tijdstip waarop de belasting in rekening wordt gebracht. De aftrek van voorbelasting moet zo nodig worden herzien.

Het in een melkveebedrijf opfokken van een kalf tot melkkoe moet worden aangemerkt als het binnen de onderneming ontwikkelen van een bedrijfsmiddel. Het dier is een roerende zaak waarop kan worden afgeschreven. Het opfokken van een kalf tot melkkoe is volgens de Hoge Raad niet aan te merken als het in goede staat houden van het kalf. Dit betekent dat de omzetbelasting die in rekening is gebracht op goederen en diensten die zijn gebruikt bij het opfokken in aanmerking komt voor herziening.